PRESENTATIE BIJ HET AMSTERDAMS STUDENTENCORPS
Bron: Folia Civitas13 maart 2012. Honderdvijftig leden van studentencorps ASC/AVSV gingen gisteren in de sociëteit aan de Warmoesstraat in discussie met de makers van de oorlogsfilm Süskind. De avond werd georganiseerd in het kader van de ASC Cultuurweek met als doel te laten zien welke rol studenten speelden tijdens WOII.
Als de filmmakers plaats hebben genomen op het podium in de schaars verlichte mensa, stellen de vijf zich voor: producer San Fu Maltha, actrice
Chava Voor in ’t Holt, producer Jeroen Koolbergen en regisseur Rudolf van den Berg, die overigens het kind is van twee joodse onderduikers. Voordat er verder gegaan wordt, wil Koolbergen één ding van het publiek weten: ‘Hoe veel van jullie hebben de film gezien?’ Bijna dertig leden steken aarzelend hun handen op.
Het is de vijfde Q&A waarbij regisseur Van den Berg aanwezig is. ‘Naast het verhaal wil ik ook de schok doorgeven. Dat de terreur hier om de hoek plaatsvond. Wat de film ook laat zien is hoe veel joden hier vermoord zijn. Iets dat in andere verhalen minder naar voren komt.’
Terwijl de presentatoren de crew bestoken met vragen als ‘wat heeft deze film voor indruk op u gemaakt?’ en ‘hoe ga je om met je rol?’ verdwijnen via de achterkant van de mensa leden met lege bierglazen en komen met volle terug. Chava, die een moffenhoer speelt, is niet voor inspiratie naar de Wallen gegaan, maar heeft zich vooral ingelezen. Hoewel echte discussie uitbleef, werd veel duidelijk over de rol van het corps. Rosaline Wedzinga (20) vond het een succes. ‘Ik vind dit onderwerp sowieso interessant. Ik heb de film nog niet gezien, maar ga hem zeker in de bioscoop met mijn vriendje kijken. Hij houdt hier ook van.’
Ook Jan-Jaap Koningsveld (24) vind dit initiatief ‘geweldig’. ‘Een keer niet alleen drankgelag. Ik wil geen college, maar wel diepgang op de vereniging. Het is leuk om erachter te komen wat de filmmakers beweegt om deze film te maken. Wat ik zou doen als ik toen geleefd had? Uit respect kan ik die vraag niet beantwoorden. Ik ben niet zo arrogant dat ik kan inschatten welke factoren invloed hadden op de beslissingen van die mensen.’
Bron: Ad Valvas13 maart 2012 - Rottend hout en bierlucht. Een studentikoze inrichting met uitgezakte meubels. Stropdassen en jongens met een veel te grote colbert boven een spijkerbroek. Het is moeilijk voor te stellen dat dit, het hoofdkwartier van A.S.C./ A.V.S.V., beter bekend als het studentencorps, het toneel was van studentenverzet tijdens de Holocaust.
In de film Süskind, die dit voorjaar in première ging, gaat de rol die studenten speelden tijdens het verzet, niet onopgemerkt voorbij. Naar aanleiding van deze film organiseerde het studentencorps Amsterdam afgelopen maandag een gesprek met de cast en crew van Süskind. Een gevoelig onderwerp, want tijdens de Tweede Wereldoorlog waren er zowel Joodse studenten, verzetsdisputen als NSB-leden actief bij de corporale studentenvereniging.
Süskind, het Nederlandse heldendrama van regisseur Rudolf van den Berg, die eerder Tirza regisseerde, schept een beeld van het Amsterdam van 40-45 met al haar ethische nuances en grijstinten.
“Met deze film wil ik de Holocaust weghalen uit de abstractie van de boekenkast”, vertelt regisseur Van den Berg. “Ik wil niet alleen een verhaal vertellen, maar ook een shockeffect teweeg brengen, het besef dit alles zich hier om de hoek heeft afgespeeld”.
De film gaat over Walter Süskind, een Duitse Jood die is aangesteld door de Nazi's om via de 'Joodse Raad' andere Joodse burgers te registeren en naar de Hollandse Schouwburg te brengen, waar ze wachtten op de deportatie naar concentratiekampen.
Om zijn eigen hachje te redden neemt hij de baan aan, maar al snel knaagt zijn geweten. Hij gebruikt zijn positie om, met de hulp van het studentenverzet, honderden Joodse kinderen weg te smokkelen. Hiervoor speelt hij een gevaarlijk spel met de SS en zet hij zijn eigen leven, en dat van zijn gezin, op het spel.
“De film laat zien hoe een gewone persoon tot held kan uitgroeien, als hij maar de juiste beslissing neemt op het juiste moment”, vertelt producer San Fu Maltha. “Het is een verhaal over kopgeld, de paar gulden die mensen kregen voor het aangeven van een Joodse buur, over Joods verzet én verraad, maar ook over de anonieme studenten die in hun studentenhuizen Joodse kinderen lieten onderduiken, vluchtroutes uittekenden en opvanggezinnen zochten”.
Onder deze studenten waren een groot aantal corpsleden. Tijdens de Holocaust werden bij A.S.C/A.V.S.V vijf nieuwe verzetsdisputen opgericht. Veel activiteiten gebeurden ondergronds, zeker nadat het studentencorps zichzelf ophief in 1942.
“Dat gebeurde als protest tegen het nazibevel dat Joodse studenten geen deel meer mochten uitmaken van gezelligheidsverenigingen”, vertelt corpslid Marjolein Verhaag, die haar scriptie schreef over het studentenverzet.
“Toch is het opvallend dat er in Amsterdam, de meest politieke studentenstad, geen staking volgde in november 1940, toen Joodse academici uit hun ambt werden gezet. In Leiden en Delft kwamen studenten meteen op straat, maar bij de UvA wist de rector de gemoederen te bedaren”, aldus Verhaag.
Over de rol van VU-studenten in het verzet is niet veel bekend. Verhaag: “De VU had op dat moment maar een paar honderd studenten per jaar en was dus een stuk minder invloedrijk dan de UvA, die toen nog GU (Gemeentelijke Universiteit) heette.
“Wel waren er zowel VU- als UvA-studenten actief bij de verzetsdisputen van het corps, al zie je in de archieven ook dat er in 1940 een aantal corpsleden een SS-teken achter hun naam hadden staan. Binnen het corps zijn er in die tijd vriendschappen uit elkaar gerukt, kleine heldendaden verricht, maar is er waarschijnlijk ook verraad gepleegd”. Tijdens de Holocaust werden 49 Joodse corpsstudenten gedeporteerd. Hun namen staan nog steeds te lezen op gedenkplaatjes in de smoezelige gangen van het A.S.C/A.V.S.V. pand in de Amsterdamse Warmoesstraat. (VV)